Sociologie
Een wijze van zien met aandacht voor specifieke kenmerken van de mens in de samenleving en de samenleving in de mens.
Studie van het menselijk samenleven
Doing (Becker)
Nadruk op praktijken, actie, interactie en reactie
Things (Becker)
Tastbare en niet-tastbare zaken. Al die zaken zijn resul- taat van collectief handelen. Brede aandacht voor niet enkel actoren maar ook rol van andere elementen (ma- teriële objecten, kennis of conventies
Together (Becker)
Verwijst naar de inherent collectieve dimensie van menselijk handelen en van alle sociale fenomenen. Schepping is nooit af maar loopt steeds verder in, dankzij voortdurende interacties tussen personen.
Belangrijk: Dingen samendoen betekend niet dat er ook gemeenschappelijke belangen of doelen zijn, evenmin dat het harmonieus verloopt.
Belangrijk sociologisch inzicht
Collectieve handelingen scheppen zaken die vervolgens weer extern op de mens inwerken.
3 kernconcepten sociologie
Cultuur
Sociale structuur
Cultuur en structuur
Belangrijk: Cultuur en structuur zijn concepten die in de praktijk aan elkaar verwant zijn en elkaar beïnvloeden, gaan samen en maken deel uit van eenzelfde sociale realiteit.
Het individu dat handelt
Om een sociale werkelijkheid te analyseren. Helpen begrijpen van de werkelijkheid
Genese
Wordingsgeschiedenis, sociogenese
Sociologie binnen de wetenschapsgeschiedenis
Sociologie onderzoekt?
sociale verhoudingen en hoe deze mens tot mens maken, en bestudeert daartoe mens in zijn sociale omgeving
Typisch menselijk
Geest, redelijkheid, technische vaardigheden, kunstzinnigheid, moraliteit heeft de mens te danken aan de sociale verbanden waarin hij leeft.
Natuurlijke distantie ontbreekt
Wetenschap moet zich ontdoen van menselijke emoties, maar de maatschappij zit in ons
Sociologie ontluisterd en is vaak subversief
Toont de minder fraaie kanten en ondermijnt vaak heilige huisjes waarop macht is gebaseerd
Sociologisch bewustzijn wordt geprikkeld door crisis
Grote maatschappelijke veranderingen en opschudding helpen bestaande orde in vraag te stellen
De crisistijden die tijdens het ontstaan van sociologie kenmerkend zijn:
= plotse verandering waardoor de maatschappij niet langer 'vanzelfsprekend' is en dit leidt tot vragen.
Sociologie is dus een kind van de moderne tijd:
Sociologische verbeelding
Het vermogen om verbanden te zien tussen individuele levensloop en historische en sociale context waarin ze leven. Wisselwerking tussen deze twee.
Charles W.Mills en de sociale imagination
Mills benadrukt de verhouding tussen individuele biografie van mensen en de historische en maatschappelijke context waarin ze leven.
Sociologie buigt zich ook over verbanden (Mills)
Buitenstaanders perspectief
een socioloog moet het vertrouwde kunnen bekijken alsof het niet vanzelfsprekend is.
Breuken met pre- sociologische blik
Sociologische zienswijze wijt hier sterk van af: verklaringen voor de samenleving worden er gezocht in de samenleving zelf.
Sui Generis (Durkheim)
De samenleving is een fenomeen: De samenleving is geen speelval van externe krachten, en evenmin reduceerbaar tot een eenvoudige optelsom van individuen
Empirie
Op waarnemingen, om zo te komen tot generaliseerbare uitspraken
Sociologie Avant la Lettre
Pioniers van het sociologisch denken
Sociologische denkwijze ontstond door specifieke omstandigheden
Wetenschappelijke ontwikkelingen
Vertrouwen op de rede en het direct waarneembare voor het zoeken naar verklaringen, in plaats van terug te vallen op het mystieke, op overleving of op gezag
Verreist:
Wetenschappelijke ontwikkelingen zorgen voor
De mens stond niet langer als vanzelfsprekend centraal, maar werd op ontluisterende wijze van zijn voetstuk gehaald
Maatschappelijke veranderingen
De ontwikkelingen van de sociologie kwam op gang met grote maatschappelijke veranderingen van de 19e eeuw.
Charles de montesquieu
Perzische brieven
Ibn Khaldun
Belangrijke vroege sociologische denker en een voorbeeld van hoe sociologisch denken ook in niet- westerse context tot stand kwam
Muqaddimah
Feitelijke geschiedschrijving van de islam in Noord-Afrika
Ilm Al- Umran
Nieuwe wetenschap en maatschappelijke levensorde of menselijke organisaties
Asabiyyah
Het type solidariteit in een gemeenschap, dit was volgens hem gerelateerd aan de dominante organisatievorm
Politieke legitimiteit van heersers was gestoeld op deze Asabiyyah en bestond uit verschillende componenten
August Comte
Maatschappelijke context
Wet der drie stadia
Theologisch stadium
Kennis over religieuze verklaringen, animisme (voorwerpen menselijke eigenschappen geven, alles laten leven) geloof in geesten en magie
Metafysisch stadium
kennis gebaseerd op abstracte begrippen en idealen (doorbraak verlichting). Kritisch redeneren obv. abstracte beginselen en denksystemen
Positieve stadium
Kennis gebaseerd op wetenschap: Feiten en empirie, volgens Comte zouden daarmee ook meningsverschillen en twijfel worden opgelost: de fiets regeren.
Positivisme van Comte verwijst naar
De wijze waarop kennis volgens hem moest worden opgebouwd. Positief verwijst naar een aantal kenmerken:
Modernisme (Comte)
Geloof in vooruitgang en maatschappelijke sturing
Sociale vooruitgang (Comte)
Volgens Comte zou het positieve stadium een nieuwe ontwikkeling inluiden, waarbij rationeel organisatie de maatschappelijke vooruitgang naar ongekende hoogten zou leiden
Differentiatie
Onderscheid, verfijnen/vertakken. Toename differentiatie: steeds meer verschillende rollen die mensen innemen
Commodificatie
Dingen worden handelswaar
Rationalisatie/rationalisering
Gebruik van de ratio (niet meer bovenaardse), systematische organiseren van de wereld.
Karl Marx
Historisch Materialisme
Niet ideeën od de geest bepalen loop de geschiedenis maar economie, arbeid, productiemiddelen en verhoudingen. Het zijn materiële omstandigheden die het bewustzijn, en dus de ideeën bepalen.
Productiemiddelen (Marx)
Verwijzen naar het materiaal dat nodig is voor economische productie
Productieverhoudingen (Marx)
Focus op economische productieverhoudingen: Sociale verhoudingen tussen wie wel of geen productiemiddelen bezit en welke regels daarrond gelden.
Kern van het historisch materialisme (Marx)
De wijze waarop het materiële leven wordt geproduceerd, is bepalend voor het sociale, politieke en geestelijke leven.
iedere historische periode kent haar eigen productieverhoudingen, gerelateerd aan technologische ontwikkelingen die de materiële productie schragen
Kapitalist
In handen van grond en kapitaal
-> hierdoor grote tweedeling tussen kapitalisten en de arbeidsklasse
Fetisjisme van goederen
Gebruikswaarde (immaterieel) en ruilwaarde.
Het is alsof goederen een eigen leven gaan leiden en een dwingende invloed op ons handelen, terwijl we vergeten dat de goederen zelf resultaat zijn van arbeid
Gebruikswaarde
Waarde of het nut van een goed voor wie het gebruikt
Ruilwaarde
geldbedrag waardoor het verkocht kan worden.
Fetisjisme van goederen, wat beweerd Marx
Ruilwaarde wordt belangrijker dan gebruikswaarde
Kapitalistische systeem
Geld voor waarde en voor waarde geld. Het nastreven van winst is een doel opzich
Pre-kapitalistisme
Waar -> geld -> waar
Kapitalisme
Geld -> waar -> Geld
Commodificatie
Alles wordt handelswaar
Krachtlijnen van marxistische analyse
Emile Durkheim
Emile Durkheim Kernthema's
Lagere substantie (Durkheim)
Zintuigelijk, innerlijk wezen dat handelt uit egoïstische motieven en volgens driften
Lagere substantie (Durkheim)
Verheven wezen met rede, moreel besef en conceptueel denken
Sui generis (Durkheim en sociale feiten)
Niet te reduceren tot iets anders
Bovenindividuele feiten
de samenleving bestaat uit individuen, maar wanneer deze met elkaar omgaan ontstaan er een nieuwe realiteit en een nieuw soort feiten.
Sociale feiten
Producten van het sociale leven die extern zijn aan het individu maar een dwingende invloed op hem uitoefenen
Voorbeelden sociale feiten
kenmerken sociale feiten
Paradox
In historisch perspectief zijn individuen in toenemende mate afhankelijk van elkaar en worden gekenmerkt door steeds grotere mate van autonomie
Moderne maatschappij
Mensen verschillen erg van elkaar ( gedrag, functies) daardoor zijn individuen uit een moderne maatschappij, historisch gezien vrij uniek en kennen ze een ongeziene vrijheid
Sociale arbeidsindeling
Hoe meer arbeidsindeling, hoe meer mensen verschillen maat ook meer op elkaar zijn aangewezen
Functionele differentiatie
Sociale functies worden van elkaar onderscheiden
Conscience collective
Het geheel van geloofsovertuigingen en sentimenten die de gemiddelde leden van enkele maatschappij hebben en die een bepaald systeem vormen met eigen leven
Anomie
Toestand waarin waarden, normen, handelingsrichtlijnen en verwachtingspatronen (de conscience collective) niet langer duidelijkheid bieden
Max weber
Kern elementen
Betekenisgeving (weber)
Zonder aandacht voor de betekenis die handelende personen stellen, is werkelijk begrip van het sociale leven onmogelijk
Weberiaanse opvatting sociologie
Centraal staat de aandacht voor betekenisgeving processen van handelende individuen. De betekenissen hebben een sociale basis: Ze hebben een collectief karakter. Dit onderscheid sociologie van psychologie: Het gaat niet om individuele processen van betekenisgeving, maar om betekenissen die mensen met elkaar delen
Verstehen (Weber)
Het verklarend begrijpen van de sociale werkelijkheid "zowel van culturen en terugkerende patronen van handelen, als individuen)
Kapitalisme volgens (Weber)
Draait om de voortdurende rationele verwachtingen steeds nieuwe en bijkomende winst te behalen
Kapitalistische organisaties
Planmatig gericht op het steeds opnieuw vermeerderen van het bedrijfskapitaal
Kapitalisme Marx en Weber
Onttovering van de wereld
Het (geloof in) voortschrijdende beheersing van de wereld via berekening en techniek
Onttovering en rationalisering (weber)
Verwijst naar de wijze waarop de mens in de moderne wereld greep krijgt op zowel de sociale als de natuurlijke wereld.
-> Berekening en onvoorspelbaarheid
Bredere focus op rationalisering van de maatschappij
Verschillende aspecten
Overeenkomsten Durkheim en Weber
Etymologie
Studie van de oorsprong van de betekenis van woorden en de historische ontwikkeling daarvan
Antropoloog Tylor -> cultuur is
Cultuur producten
Zaken die door de mens worden gemaakt en een symbolische betekenis hebben
Mensen internaliseren onderdelen van de cultuur
Het wordt onderdeel van hoe ze zelf zijn
Socialisatie
Proces waarlangs iemand cultuur aanleert
Kern van cultuur
Cultuur heeft materiële dimensie op twee manieren
Cultuur verschillende (deel) elementen
Symbool
Teken met betekenis
Gedeelde denkbeelden
Zienswijzen die helpen bij het interpreteren van de werkelijkheid
Waarden
Abstracte delen of streefdoelen die aangeven wat belangrijk of wenselijk is
Normen
Gedragsregels die mensen verondersteld worden na te leven, ze bepalen wat moet of wat net niet mag
Materiële zaken
Kunnen deel uitmaken van cultuur doordat ze betekenis krijgen
Symbolische realiteit
een betekeniswereld die boven op de materiële realiteit komt
kenmerk cultuur: Symbolische dimensie
Betekenis los van en bovenop materiële werkelijkheid
kenmerk cultuur: Gedeelde betekenis
Niet louter 'subjectief' maar intersubjectief
kenmerk cultuur: Sociaal leren
Overdracht via leerprocessen
kenmerk cultuur: Verinwendiging
Onlosmakelijk onderdeel van zelf, en daardoor vanzelfsprekendheid
Voorbeelden culturele revolutie
Co- evolutie is een wisselwerking tussen
Biologische evolutie
Overdracht speelt zich af voor de geboorte, door doorgave genetische materiaal
Culturele evolutie
Mensen zijn in staat gedragingen na te bootsen, aan te leren en over te dragen aan anderen
Sociaal- culturele ontwikkeling
Verloopt via cultuur en bijbehorende leerprocessen, waardoor sociaal- culturele veranderingen in menselijk gedrag zich veel snellen voltrekken
Co-evolutie
Menselijk vroeggeboorte
de mens moet nog een zeer grote biologische ontwikkeling doormaken na de geboorte
Instinctarmoede
De mens heeft reflexen, maar geen echte instincten.
Instinct
Complex gedragspatroon dat genetisch is bepaald
Mens beschikt wel over open vermogens
Vermogen om bv taal te verwerven
Reflexen
Fysiologische respons op een bepaalde stimulus
Driften
Behoefte aan voedsel, self of handhaven lichaamstemperatuur
Wereldopenheid
Menselijke conditie wordt gekenmerkt door onzekerheid
Biologische onbepaaldheid
Draagt ook bij aan de open wereld, menselijke ledematen zijn weinig gespecialiseerd. We bouwen zelf werktuigen om onze handen te versterken
Kortom: mens is van nature een cultuurwezen door
Cultuurrelativisme
Praktijken en opvattingen zijn slechts te begrijpen in de context van de ruimere cultuur waar ze deel van uitmaken
Etnocentrisme
Beoordelen van vreemde culturen met eigen maatstaf
Subcultuur
Verwijst naar afwijkende opvattingen, waarden en leefstijlen, verschillend van dominante cultuur
Tegencultuur
Is een rebellerende subcultuur die tegen dominante cultuur is en deze in vraag stelt
Sociale structuur
Het geheel van posities van actoren en de vorm van interacties en relaties tussen die actoren
Actor
Mensen die handelen of mensen in organisaties
Sociale positie
Plaats die iemand inneemt tav. anderen en binnen de samenleving
Verschillende niveaus sociale positie
Begrip structuur kan op twee manieren worden gebruikt
Structuur
Geheel van posities en sociale verhoudingen
Analytische begrippen
We gebruiken ze op sociale werkelijkheid te analyseren en tot inzicht te komen
Lens van cultuur
Betekenissen en denkschema's
lens structuur
Posities en verhoudingen
Sociale instituties
Verwijst in verschillende contexten naar verschillende zaken
Drie manieren om begrip institutie in te vullen
Sociale institutie als tweede natuur
Mensen hebben geen instincten -> wel sprake van openheid van gedrag en reactie op omgeving -> zorgt voor instabiliteit en onzekerheid.
Om dit op te vangen structureren mensen hun leven en hun omgeving via collectieve activiteit: via cultuur, structuur en met name via sociale instituties
Arnold Gehlen: sociale instituties als tweede natuur
Ze bieden stabiliteit die de menselijke biologie niet kan bieden
Desinstitutionalisering
Dwingende macht van instituties neemt af
Sociale instituties en institutionalisering: Anton Zijderveld
Brede definitie van sociale institutie
Nadruk op institutionalisering
Gewoontevorming van handelingspatronen
Overeenkomst Gehlen en Zijderveld desinstitutionalisering:
Een historische ontwikkeling waarbij instituties in de moderniteit minder dwingend zijn geworden
Specifieke invulling en concrete omschrijving sociale institutie:
Specifieke invulling: combinatie van cultuur en structuur
Sociale institutie omvat rollen en posities en richt het handelen via betekenissen, waarin en normen.
Combinatie wordt door verschillende mensen erkend, waardoor een institutie een collectief karakter heeft.
Instellingen
Zijn (formele) organisaties met instituties aan hun basis
Probleem van instellingen
Instituties en instellingen soms door elkaar gebruikt, maar is niet hetzelfde.
Bv. Recht (institutie) en rechtbank (instelling)
Contingentie
onbepaaldheid
Twee manieren om contingentie te verkleinen
Sociale rol
Omvat een gedragspatroon en verwachtingen verbonden met een sociale positie.
Sociale positie
Is de plaats die iemand aanneemt tegenover andere
Role set of rolbundel
Verschillende rollen die iemand combineert
Twee soorten rolproblemen
Rolconflict en rolspanning
Rolconflict
Rollen botsen die eenzelfde persoon vervult, verschillende functies komen samen
Rolspanning
Ten aanzien van eenzelfde rol zijn er verschillende verwachtingen
vb: politie is streng maar moet ook meegaand zijn , dit kan voor spanning zorgen binnen 1 rol
Waarom aandacht voor rollen binnen sociale structuren
Focus op rol bij een positie in plaats van op persoon op die positie. Aandacht voor rollen en posities biedt een bijkomend inzicht in sociale fenomenen
Roldifferentiatie
Er lijken steeds meer rollen bij te komen met verschillende handelingspatronen en specialisaties.
Daarnaast ook buiten mensen om namelijk differentiatie van systemen
Groep
Verschillende manieren om mensen bij elkaar komen in het sociale leven.
Indeling van groep door sociologen
Aggregaat
Mensen die zich in dezelfde tijd en ruimte bevinden, zonder dat er interactie is. Vb. museum of bioscoop
Sociale categorie
Mensen hebben gedeeld kenmerk, dit kenmerk wordt toegeschreven door andere (indeling door andere)
Vb: studenten conservatie is 1 groep
Sociale groep
interactie tussen leden en gedeeld doel of belang
Vb: jeugdvereniging, studentenclub, vakbond
Kenmerken van een groep
Onderscheid in type groepen
Primaire groepen
Vb: Gezin, vriendengroep, hechte vriendengroep
Secundaire groepen
Vb: scholen of ondernemingen
Door wie werd get onderscheid tussen primair en secundair oorspronkelijk gemaakt?
Charles H. Cooley
Socialisatie
vorming van een individu.
Het us het vormingsproces waarbij een persoon gewoonten, opvattingen en handelingspatronen van een groep of gemeenschap aanleert
Sociologisch inzicht
Niet eerst individuen en dan interacties, maar vorming individu door interacties incl. identiteit en zelf
Primaire socialisatie
Tijdens kindertijd, in daartoe ingerichte instituties (school, gezin, kerk)
-> Ook volwassen: (gevangenis) hervormen
Secundaire socialisatie
Bij volwassen in andere situaties (werk, vereniging)
Verschillende socialiserende instituties
Gezin, vriendengroep, school, media, werk
Interactie
Samen handelen
Vb: communicatie is een vorm van samen handelen
Sociale interactie
Voortdurende wisselwerking tussen personen die hun handelen interpreterend op elkaar anticiperen en reageren
Erving Goffman: korte beschrijving van interactie
Beschrijven hoe mensen zich gedragen in de publieke sfeer
Dramaturgische benadering
Analyse van het sociale leven en interacties via metaforen van theater
Impression management
Verwijst naar pogingen om indrukken die men op anderen achterlaat te controleren
Verschillende manieren impression management
Wie introduceert front stage en backstage
Goffmann: Deelt het sociale leven e de interacties daarin op in frontstage en backstage (voor en achterplan)
Front stage
Waar mensen impression management strikt beheersen en toneel spelen. Ze gedragen zicht volgens de regels die hun rol voorschrijft.
Rol t.a.v. bepaald publiek
Backstage
Hier laten mensen die controle los en bereiden ze zich voor op nieuwe opvoering. De plekken van het sociale leven zijn vaak meet verborgen.
-> (Deel van) rol spelen
Relatieve begrippen
steeds in verhouding tot elkaar
Vb: Slaapkamer - gezinswoning - publieke leven
essentie is te laten zien dat mensen wisselen tussen deze rollen
Civil innatention
Beeldende inattentie. Expliciet vermijden van contact, maar tegelijk ook de aanwezigheid van de ander impliciet bevestigen
Vb: wachtkamer of lift
Driehoek identiteit
Zelfbewustzijn
Kind ontwikkelt zijn eigen ik, hiervoor zijn interacties met anderen doorheen het socialisatieproces van belang
Het verwerven vanzelf brengt de ontwikkeling van een zelfbeeld met zich mee
Generalized other
We komen in aanraking met anderen in talk van rollen die ons waarden en normen opleggen
William James (Bekend door)
Invloed filosofie van pragmatisme
Pragmatisme
Focus op consequenties van handelingen en activiteiten.
De wereld en ed mensen erin, worden vormgegeven door de activiteiten die mensen ondernemen: ze zijn resultaat van een handelingsproces
C.K, Cooley en the looking glass self (kern)
Zelf van buitenaf bekijken is typisch menselijk
Cooley's looking glass zelf verloopt in 3 stappen:
Identiteit
Gericht aan onszelf en aan andere, waar we zelf en andere en antwoord op geven. Wie ben ik?
Nathalie Heinich
Identiteit is een proces (Nathalie Heinich )
Een dynamiek die voortdurend in verandering is
identiteit kent een narratieve dimensie (Nathalie Heinich)
Het verschijnt als verhaal waar betekenis aan wordt gekoppeld
Identiteit is contextueel (Nathalie Heinich)
Afhankelijk van de situatie. Welk aspect van iemands identiteit belangrijk is, verschilt van de context waarin iemands identiteit wordt gevraagd. (Vb: als je op vakantie bent - waar kom je vandaan?)
Identiteit omvat zowel
Tweedelig model van identiteit: Objectieve identiteit
Labels buiten individu
Vb: Burgerlijke staat, beschrijving van anderen
Tweedelig model van identiteit: Subjectieve identiteit
Beleving door andere
Vb: Hoe individu zelfzeef ziet of voelt
Probleem (Heinich): Simplistisch
Onderscheid tussen vals en authentiek tussen gespeeld (in maatschappij) en echt (individu zelf)
Drie momenten van indentiteit (Heinich)
Nieuwe driehoek (sociologisch denkkader net drie kenconcepten)
Sociale ongelijkheid
Verschillen in toegang tot belangrijke middelen en posities in een samenleving
Sociale stratificatie
Gelaagdheid, in de sociologie: verwijst het naar Geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid
Geïnstitutionaliseerd
Wil zeggen dat er (impliciete als expliciete) regels bestaan rond de verdeling van gegeerde middelen en posities
Ongelijkheid om verschillende vlakken
Landbouwsamenlevingen
Toegang tot grond was de voornaamste basis voor sociale ongelijkheid
Industriële samenleving
Gekenmerkt door een andere stratificatie: Klassen
Slavernij
Extreme vorm van ongelijkheid: sommige individuen zijn letterlijk eigendom van een ander
Kasten
Indeling van de samenleving van verschillende lagen
Quasikaste
Raciale segregate (rassenscheiding) in de vS en apartheid in Zuid-Afrika
Standen
Standen in federaal systeem (middeleeuws europa) maar ook in andere culturen. Status gebaseerd op: landbezit en politiek- militaire posities
Drie grote standen
Horigen
Boeren behoren bij de grond waarop ze leefden, en verplichtingen hadden ten opzichte van hun heren: de adel en grootgrondbezitters
Sociale mobiliteit
De mate waarin iemand de sociale ladder kan opklimmen. Van traditie naar wettelijke onderbouwing
Klassen
een verzameling van personen die beschikken over dezelfde economische middelen
Klasse
Bevat personen die beschikken over gelijkaardige economische middelen( met andere woorden: eenzelfde economische positie innemen) en daardoor grote gelijkenissen vertonen in levenswijze, belangen en opvattingen
Belangrijke verschillen klassen
Marx
Klasse als verhouding tegenover productiemiddelen
Max Weber met uitbereiding Marx
Klassen zijn verzamelingen personen met dezelfde levenskansen omwille van positie in de markt waarin ze goederen, kapitaal of vaardigheden aanbieden.
Hoe worden klassen opgedeeld
Economische grondslag: vermogen, inkomen, beroep. Toegang tot economische middelen bepaald tot welke klasse iemand behoord
Cultureel kapitaal
Gaat om geaccumuleerde kennis, vaardigheden en opleiding.
Kinderen uit hogere klassen beschikken over meer cultureel kapitaal.
Wordt generatie op generatie doorgegeven
Onderscheid 3 vormen van culturele kapitaal
Sociaal kapitaal
Het geheel aan sociale relaties die kunnen worden ingezet als hulpbronnen
Habitus
Is het sociaal geconstrueerde geheel van disposities en verschaft competenties om in een omgeving te bewegen
Disposities
Onbewuste neigingen om dingen op een bepaalde manier te doen
Habitus: met dit begrip zet Bourdieu zich af tegen twee andere opvattingen
Modernisering
Verwijst naar een geheel van maatschappelijke ontwikkelingen die zich de afgelopen eeuwen voltrokken ( en nog steeds gaande zijn)
Processen van modernisering
Verzameling onderling verbonden historische ontwikkelingen
Rationalisering
Het ordenen en systematiseren van de wereld (werkelijkheid) om die voorspelbaar en beheersbaar te maken
Verschillende vormen van rationalisering
Domesticatie
Is de beheersing van zowel 'uitwendige' als inwendige natuur
Uitwendige natuur
De fysieke werkelijkheid die ons omgeeft als de biologische levende natuur
Inwendige natuur
(menselijke geest) ook de innerlijke gemoedstoestand van de mens is in sterke mate gedomesticeerd -> de toegenomen beheersing van eigen driften en emoties
Panopticon
Als metafoor: zelfdiscipline als modern mechanisme van macht-uitoefening
Individualisering
Verwijst naar historisch proces waarbij individu loskomst van collectiviteit en grote zelfstandigheid en onafhankelijkheid kent
Individualisering als opdracht
Narratief voor individuele verantwoordelijkheid, individu als aansprakelijk voor eigen lot
Maatschappelijke differentiatie
Belangrijk deelproces van modernisering. Het is belangrijk om de hedendaagse maatschappij te kunnen begrijpen, maar vormt tegelijk vrij geavanceerde sociologische materie
Differentiatie
Verwijst naar de opsplitsing van een geheel in delen due onderling van elkaar verschillen
Differentiatie toegepast op de samenleving in twee vormen
Verticale differentiatie
Verwijzen sociologen naar sociale stratificatie de opdeling van de samenleving volgens status en macht -> neemt in onze samenleving vorm aan van klassen.
Horizontale differentiatie
De op0deling van de samenleving in verschillende domeinen, systemen of sferen die naast elkaar bestaan. Ook wel maatschappelijke differentiatie
Uitdifferentiatie
Draagt bij tot de maatschappelijke complexiteit: zelfstandigheid van domeinen en afhankelijkheid