Karteikarten im Karteikarten-Set

Noch nicht gestartet (244)

Sociologie

Een wijze van zien met aandacht voor specifieke kenmerken van de mens in de samenleving en de samenleving in de mens.

Studie van het menselijk samenleven

Doing (Becker)

Nadruk op praktijken, actie, interactie en reactie

Things (Becker)

Tastbare en niet-tastbare zaken. Al die zaken zijn resul- taat van collectief handelen. Brede aandacht voor niet enkel actoren maar ook rol van andere elementen (ma- teriële objecten, kennis of conventies

Together (Becker)

Verwijst naar de inherent collectieve dimensie van menselijk handelen en van alle sociale fenomenen. Schepping is nooit af maar loopt steeds verder in, dankzij voortdurende interacties tussen personen.


Belangrijk: Dingen samendoen betekend niet dat er ook gemeenschappelijke belangen of doelen zijn, evenmin dat het harmonieus verloopt.

Belangrijk sociologisch inzicht

Collectieve handelingen scheppen zaken die vervolgens weer extern op de mens inwerken.

  • Ideeën en overtuigingen
  • Woorden en begrippen
  • Formele organisatievormen
  • Materiële infrastructuur

3 kernconcepten sociologie

  • cultuur
  • Sociale structuur
  • Het individu dat handelt

Cultuur

  • Het geheel van gedeelde betekenissen, door mensen toegekend aan wat ons omringt (gedrag, voorwerpen, omgeving, andere etc.
  • Is deels 'verinwendigd': door mensen eigen gemaakt, onderdeel van persoon en persoonlijkheid. Het wordt overgeleverd door socialisatie.


Sociale structuur

  • Verwijst naar de positie die mensen ten aanzochten van elkaar innemen en naar de organisatievormen van het samenleven (bv in een organisatie of maatschappelijke tegenstellingen tussen arm en rijk)
  • Het geheel van posities van actoren en de vorm en de vorm van interacties en relaties tussen die actoren.


Cultuur en structuur

Belangrijk: Cultuur en structuur zijn concepten die in de praktijk aan elkaar verwant zijn en elkaar beïnvloeden, gaan samen en maken deel uit van eenzelfde sociale realiteit.


Het individu dat handelt

Om een sociale werkelijkheid te analyseren. Helpen begrijpen van de werkelijkheid

Genese

Wordingsgeschiedenis, sociogenese

Sociologie binnen de wetenschapsgeschiedenis

  • De eerste wetenschappen over astronomie en natuurkunde
  • Biologie en psychologie
  • Sociologie

Sociologie onderzoekt?

sociale verhoudingen en hoe deze mens tot mens maken, en bestudeert daartoe mens in zijn sociale omgeving

Typisch menselijk

Geest, redelijkheid, technische vaardigheden, kunstzinnigheid, moraliteit heeft de mens te danken aan de sociale verbanden waarin hij leeft.

Natuurlijke distantie ontbreekt

Wetenschap moet zich ontdoen van menselijke emoties, maar de maatschappij zit in ons

Sociologie ontluisterd en is vaak subversief

Toont de minder fraaie kanten en ondermijnt vaak heilige huisjes waarop macht is gebaseerd

Sociologisch bewustzijn wordt geprikkeld door crisis

Grote maatschappelijke veranderingen en opschudding helpen bestaande orde in vraag te stellen

De crisistijden die tijdens het ontstaan van sociologie kenmerkend zijn:

  • Franse revolutie: Verwerping van sociale orde voor nieuwe idealen.
  • Industriële revolutie: Technologische omwenteling, nieuwe productieverhoudingen, nieuwe sociale vraagstukken.

= plotse verandering waardoor de maatschappij niet langer 'vanzelfsprekend' is en dit leidt tot vragen.

Sociologie is dus een kind van de moderne tijd:

  • het is ontstaan bij de opkomst van moderniteit
  • Het stelt vragen over 'moderne' ontwikkelingen en problemen
  • het is (deels) gericht op de inrichting van de samenleving (typisch modernistische betrachting)

Sociologische verbeelding

Het vermogen om verbanden te zien tussen individuele levensloop en historische en sociale context waarin ze leven. Wisselwerking tussen deze twee.

Charles W.Mills en de sociale imagination

Mills benadrukt de verhouding tussen individuele biografie van mensen en de historische en maatschappelijke context waarin ze leven.

Sociologie buigt zich ook over verbanden (Mills)

  • Relatie tussen maatschappijtype en sociale domeinen
  • Individuele overtuiging en maatschappelijke positie
  • Technologische ontwikkeling en maatschappijtype
  • Sociale structuur en cultuur
  • Sociale basis van het menselijk bestaan

Buitenstaanders perspectief

een socioloog moet het vertrouwde kunnen bekijken alsof het niet vanzelfsprekend is.

Breuken met pre- sociologische blik

Sociologische zienswijze wijt hier sterk van af: verklaringen voor de samenleving worden er gezocht in de samenleving zelf.

Sui Generis (Durkheim)

De samenleving is een fenomeen: De samenleving is geen speelval van externe krachten, en evenmin reduceerbaar tot een eenvoudige optelsom van individuen

Empirie

Op waarnemingen, om zo te komen tot generaliseerbare uitspraken

Sociologie Avant la Lettre

Pioniers van het sociologisch denken

Sociologische denkwijze ontstond door specifieke omstandigheden

  • Wetenschappelijke omstandigheden
  • Maatschappelijke omstandigheden

Wetenschappelijke ontwikkelingen

Vertrouwen op de rede en het direct waarneembare voor het zoeken naar verklaringen, in plaats van terug te vallen op het mystieke, op overleving of op gezag

Verreist:

  • Grote vrijheid van denken
  • Ontwikkeling van filosofie gebaseerd op logica en empirisch bewijs.

Wetenschappelijke ontwikkelingen zorgen voor

De mens stond niet langer als vanzelfsprekend centraal, maar werd op ontluisterende wijze van zijn voetstuk gehaald

Maatschappelijke veranderingen

De ontwikkelingen van de sociologie kwam op gang met grote maatschappelijke veranderingen van de 19e eeuw.

  • Chaos na Franse revolutie
  • Opkomst industriële revolutie
  • Wetenschappelijke vooruitgang

Charles de montesquieu

  • 1689 FR
  • Frans wiskundige en filosoof
  • Rechtsgeleerde en schrijver in pre- revolutionair FR
  • Bedenker trias politica
  • Onder pseudoniem schrijft hij: Perzische brieven

Perzische brieven

  • Satirische briefroman, bevat belangrijke kern van vroeg sociologisch denken
  • Spottend over franse maatschappij en gewoonten
  • Over twee Perzische reizigers die verslag uitbrengen aan het thuisfront

Ibn Khaldun

Belangrijke vroege sociologische denker en een voorbeeld van hoe sociologisch denken ook in niet- westerse context tot stand kwam


Muqaddimah

Feitelijke geschiedschrijving van de islam in Noord-Afrika

  • introductie tot geschiedenis
  • Reflecteert op veranderingsprocessen in de samenleving
  • Feitelijk in plaats van normatief
  • Zoeken naar waarom historische processen en sociale veranderingen zich afspelen.

Ilm Al- Umran

Nieuwe wetenschap en maatschappelijke levensorde of menselijke organisaties

Asabiyyah

Het type solidariteit in een gemeenschap, dit was volgens hem gerelateerd aan de dominante organisatievorm

Politieke legitimiteit van heersers was gestoeld op deze Asabiyyah en bestond uit verschillende componenten

  • Verwantschapsbanden tussen families
  • Religie en ideologie
  • Herverdeling

August Comte

  • 1798 FR
  • Frans wiskundige en filosoof

Maatschappelijke context

  • Chaos na Franse Revolutie
  • Opkomst industriële samenleving
  • Wetenschappelijke vooruitgang

Wet der drie stadia

  • Theologisch stadium
  • Metafysisch stadium
  • Positieve stadium

Theologisch stadium


Kennis over religieuze verklaringen, animisme (voorwerpen menselijke eigenschappen geven, alles laten leven) geloof in geesten en magie

Metafysisch stadium


kennis gebaseerd op abstracte begrippen en idealen (doorbraak verlichting). Kritisch redeneren obv. abstracte beginselen en denksystemen

Positieve stadium


Kennis gebaseerd op wetenschap: Feiten en empirie, volgens Comte zouden daarmee ook meningsverschillen en twijfel worden opgelost: de fiets regeren.

Positivisme van Comte verwijst naar

De wijze waarop kennis volgens hem moest worden opgebouwd. Positief verwijst naar een aantal kenmerken:

  • Reëel (verbeelding): gebaseerd op waarneembare feiten
  • Nuttig (Ledig): gericht op organisatie
  • Zekerheid: kennis die vaststaat

Modernisme (Comte)

Geloof in vooruitgang en maatschappelijke sturing

Sociale vooruitgang (Comte)

Volgens Comte zou het positieve stadium een nieuwe ontwikkeling inluiden, waarbij rationeel organisatie de maatschappelijke vooruitgang naar ongekende hoogten zou leiden

Differentiatie

Onderscheid, verfijnen/vertakken. Toename differentiatie: steeds meer verschillende rollen die mensen innemen

Commodificatie

Dingen worden handelswaar

Rationalisatie/rationalisering

Gebruik van de ratio (niet meer bovenaardse), systematische organiseren van de wereld.

Karl Marx

  • 1818-1883
  • Filosoof, socioloog en journalist
  • Revolutionair
  • Samenwerken met Friedrich Engels

Historisch Materialisme

Niet ideeën od de geest bepalen loop de geschiedenis maar economie, arbeid, productiemiddelen en verhoudingen. Het zijn materiële omstandigheden die het bewustzijn, en dus de ideeën bepalen.

Productiemiddelen (Marx)

Verwijzen naar het materiaal dat nodig is voor economische productie

Productieverhoudingen (Marx)

Focus op economische productieverhoudingen: Sociale verhoudingen tussen wie wel of geen productiemiddelen bezit en welke regels daarrond gelden.

Kern van het historisch materialisme (Marx)

De wijze waarop het materiële leven wordt geproduceerd, is bepalend voor het sociale, politieke en geestelijke leven.

iedere historische periode kent haar eigen productieverhoudingen, gerelateerd aan technologische ontwikkelingen die de materiële productie schragen

  • klassieke oudheid -> Slaven
  • Middeleeuwen -> Feodalisme
  • Industriële tijd -> Kapitalisme

Kapitalist

In handen van grond en kapitaal

-> hierdoor grote tweedeling tussen kapitalisten en de arbeidsklasse

Fetisjisme van goederen

Gebruikswaarde (immaterieel) en ruilwaarde.

Het is alsof goederen een eigen leven gaan leiden en een dwingende invloed op ons handelen, terwijl we vergeten dat de goederen zelf resultaat zijn van arbeid


Gebruikswaarde

Waarde of het nut van een goed voor wie het gebruikt

Ruilwaarde

geldbedrag waardoor het verkocht kan worden.

Fetisjisme van goederen, wat beweerd Marx

Ruilwaarde wordt belangrijker dan gebruikswaarde

Kapitalistische systeem

Geld voor waarde en voor waarde geld. Het nastreven van winst is een doel opzich

Pre-kapitalistisme

Waar -> geld -> waar

Kapitalisme

Geld -> waar -> Geld

Commodificatie

Alles wordt handelswaar

  • goederen, diensten, ideeën, mensen en natuur

Krachtlijnen van marxistische analyse

  • Verhoudingen rond productiemiddelen
  • Economie stuurt andere sociale domeinen productiemiddelen en productieverhoudingen, onderbouw bepaald bovenbouw
  • Wetten van kapitaalaccumulatie

Emile Durkheim

  • 1858-1917
  • Filosoof en socioloog
  • Oprichter L'annee sociologique
  • Eerste professor sociologie in europa


Emile Durkheim Kernthema's

  1. Sociale cohesie en Arbeidsdeling
  2. Vestigen van sociologie als wetenschap

Lagere substantie (Durkheim)

Zintuigelijk, innerlijk wezen dat handelt uit egoïstische motieven en volgens driften

Lagere substantie (Durkheim)

Verheven wezen met rede, moreel besef en conceptueel denken

Sui generis (Durkheim en sociale feiten)

Niet te reduceren tot iets anders

Bovenindividuele feiten

de samenleving bestaat uit individuen, maar wanneer deze met elkaar omgaan ontstaan er een nieuwe realiteit en een nieuw soort feiten.

Sociale feiten

Producten van het sociale leven die extern zijn aan het individu maar een dwingende invloed op hem uitoefenen

Voorbeelden sociale feiten

  • taal, zingeving, religie
  • opvattingen over goed en kwaad
  • Morfologische kenmerken

kenmerken sociale feiten

  • Ze zijn Extern aan individuen
  • Ze ontsluiten aan het collectief
  • Ze oefenen een verplichtende en dwingende macht uit op individuen

Paradox

In historisch perspectief zijn individuen in toenemende mate afhankelijk van elkaar en worden gekenmerkt door steeds grotere mate van autonomie

Moderne maatschappij

Mensen verschillen erg van elkaar ( gedrag, functies) daardoor zijn individuen uit een moderne maatschappij, historisch gezien vrij uniek en kennen ze een ongeziene vrijheid

Sociale arbeidsindeling

Hoe meer arbeidsindeling, hoe meer mensen verschillen maat ook meer op elkaar zijn aangewezen

Functionele differentiatie

Sociale functies worden van elkaar onderscheiden

Conscience collective

Het geheel van geloofsovertuigingen en sentimenten die de gemiddelde leden van enkele maatschappij hebben en die een bepaald systeem vormen met eigen leven

Anomie

Toestand waarin waarden, normen, handelingsrichtlijnen en verwachtingspatronen (de conscience collective) niet langer duidelijkheid bieden

Max weber

  • 1864-1920
  • Jurist, historicus en socioloog

Kern elementen

  • Verstehende sociologie
  • Aandacht voor de 'zin'
  • Focus op 'rationalisering'

Betekenisgeving (weber)

Zonder aandacht voor de betekenis die handelende personen stellen, is werkelijk begrip van het sociale leven onmogelijk

Weberiaanse opvatting sociologie

Centraal staat de aandacht voor betekenisgeving processen van handelende individuen. De betekenissen hebben een sociale basis: Ze hebben een collectief karakter. Dit onderscheid sociologie van psychologie: Het gaat niet om individuele processen van betekenisgeving, maar om betekenissen die mensen met elkaar delen

Verstehen (Weber)

Het verklarend begrijpen van de sociale werkelijkheid "zowel van culturen en terugkerende patronen van handelen, als individuen)

Kapitalisme volgens (Weber)

Draait om de voortdurende rationele verwachtingen steeds nieuwe en bijkomende winst te behalen

Kapitalistische organisaties

Planmatig gericht op het steeds opnieuw vermeerderen van het bedrijfskapitaal

Kapitalisme Marx en Weber

  • Marx: Materiële verhoudingen van belang
  • Weber: focus op ontwikkeling van ideeën, overtuigingen en opvattingen

Onttovering van de wereld

Het (geloof in) voortschrijdende beheersing van de wereld via berekening en techniek

Onttovering en rationalisering (weber)

Verwijst naar de wijze waarop de mens in de moderne wereld greep krijgt op zowel de sociale als de natuurlijke wereld.

-> Berekening en onvoorspelbaarheid

Bredere focus op rationalisering van de maatschappij

Verschillende aspecten

  • Formalisering (vb recht)
  • Berekening (vb economie)
  • Systematisch em standaardisering
  • Bureaucratisering

Overeenkomsten Durkheim en Weber

  • ontwikkelde eigen sociale wetenschap
  • Evolueerden hun eigen denken
  • Reductie van hun denken tot 'handboeksociologie' steeds nuances achterwege laat

Etymologie

Studie van de oorsprong van de betekenis van woorden en de historische ontwikkeling daarvan

Antropoloog Tylor -> cultuur is

  • Complex geheel: Veel verschillende aspecten en elementen van cultuur
  • Als lis van de samenleving: Wat verschillende mensen met elkaar delen
  • Verworven: Mensen leren, leerproces, belangrijk onderdeel van cultuur

Cultuur producten

Zaken die door de mens worden gemaakt en een symbolische betekenis hebben

Mensen internaliseren onderdelen van de cultuur

Het wordt onderdeel van hoe ze zelf zijn

Socialisatie

Proces waarlangs iemand cultuur aanleert

Kern van cultuur

  • Symbolische laag, ideeën, denkbeelden, waarden en normen liggen op de materiële werkelijkheid. Mensen interpreteren de werkelijkheid via de symbolische laag.
  • Cultuur is collectief gedeeld
  • Verworven en verinwendigd via leerproces

Cultuur heeft materiële dimensie op twee manieren

  1. Betekenislaag aan omgeving (bv natuur, bergen etc.)
  2. Materiële cultuurproducten, menselijke schepping ( van gebruiksvoorwerpen tot kunst)

Cultuur verschillende (deel) elementen

  • Symbolen
  • Gedeelde denkbeelden
  • Waarin
  • Normen
  • Materiële zaken

Symbool

Teken met betekenis

Gedeelde denkbeelden

Zienswijzen die helpen bij het interpreteren van de werkelijkheid

Waarden

Abstracte delen of streefdoelen die aangeven wat belangrijk of wenselijk is

Normen

Gedragsregels die mensen verondersteld worden na te leven, ze bepalen wat moet of wat net niet mag

Materiële zaken

Kunnen deel uitmaken van cultuur doordat ze betekenis krijgen

Symbolische realiteit

een betekeniswereld die boven op de materiële realiteit komt

kenmerk cultuur: Symbolische dimensie

Betekenis los van en bovenop materiële werkelijkheid

kenmerk cultuur: Gedeelde betekenis

Niet louter 'subjectief' maar intersubjectief

kenmerk cultuur: Sociaal leren

Overdracht via leerprocessen

kenmerk cultuur: Verinwendiging

Onlosmakelijk onderdeel van zelf, en daardoor vanzelfsprekendheid

Voorbeelden culturele revolutie

  • Buistbijlen: ca. 1.5 miljoen jaar geleden is iets dat wordt overgegeven maakt een collectieve ontwikkeling door.
  • Grotschilderingen Lascaux: Schilderwerken niet enkel symbolisch, ook de vaardigheid van het schilderwerk vergt een sociaal leerproces

Co- evolutie is een wisselwerking tussen

  • biologische evolutie
  • Culturele evolutie

Biologische evolutie

Overdracht speelt zich af voor de geboorte, door doorgave genetische materiaal

Culturele evolutie

Mensen zijn in staat gedragingen na te bootsen, aan te leren en over te dragen aan anderen

Sociaal- culturele ontwikkeling

Verloopt via cultuur en bijbehorende leerprocessen, waardoor sociaal- culturele veranderingen in menselijk gedrag zich veel snellen voltrekken

Co-evolutie

  1. De biologische evolutie van mensachtigen maakte culturele evolutie mogelijk
  2. Het gebruik van werktuigen en communicatie speelde tegelijkertijd een belangrijke rol

Menselijk vroeggeboorte

de mens moet nog een zeer grote biologische ontwikkeling doormaken na de geboorte

Instinctarmoede

De mens heeft reflexen, maar geen echte instincten.

Instinct

Complex gedragspatroon dat genetisch is bepaald

Mens beschikt wel over open vermogens

Vermogen om bv taal te verwerven

Reflexen

Fysiologische respons op een bepaalde stimulus

Driften

Behoefte aan voedsel, self of handhaven lichaamstemperatuur

Wereldopenheid

Menselijke conditie wordt gekenmerkt door onzekerheid

Biologische onbepaaldheid

Draagt ook bij aan de open wereld, menselijke ledematen zijn weinig gespecialiseerd. We bouwen zelf werktuigen om onze handen te versterken

Kortom: mens is van nature een cultuurwezen door

  • Co-evolutie
  • Instinctarmoede, onbepaaldheid en openheid

Cultuurrelativisme

Praktijken en opvattingen zijn slechts te begrijpen in de context van de ruimere cultuur waar ze deel van uitmaken

Etnocentrisme

Beoordelen van vreemde culturen met eigen maatstaf

Subcultuur

Verwijst naar afwijkende opvattingen, waarden en leefstijlen, verschillend van dominante cultuur


Tegencultuur

Is een rebellerende subcultuur die tegen dominante cultuur is en deze in vraag stelt

Sociale structuur

Het geheel van posities van actoren en de vorm van interacties en relaties tussen die actoren

Actor

Mensen die handelen of mensen in organisaties

Sociale positie

Plaats die iemand inneemt tav. anderen en binnen de samenleving

Verschillende niveaus sociale positie

  • Niveau van interactie: verhouding ten aanzien van iemand anders. Ouder- kind, Leerling - leraar
  • Positie in de samenleving: Rijkdom, politieke macht etc.
  • Verhouding tussen groepen in de samenleving: Man-vrouw, autochtoon - allochtoon.

Begrip structuur kan op twee manieren worden gebruikt

  1. in de betekenis van kijken naar voor posities die mensen ten aanzien van elkaar innemen
  2. Als verwijzend naar het geheel van posities met onderlingen verhoudingen (dus als organisatievorm)

Structuur

Geheel van posities en sociale verhoudingen

Analytische begrippen

We gebruiken ze op sociale werkelijkheid te analyseren en tot inzicht te komen

Lens van cultuur

Betekenissen en denkschema's

lens structuur

Posities en verhoudingen

Sociale instituties

Verwijst in verschillende contexten naar verschillende zaken

Drie manieren om begrip institutie in te vullen

  1. sociale institutie als 'tweede natuur'
  2. Brede invulling: institutionalisering en desinstitutionalisering
  3. Specifieke invulling: combinatie van cultuur en structuur

Sociale institutie als tweede natuur

Mensen hebben geen instincten -> wel sprake van openheid van gedrag en reactie op omgeving -> zorgt voor instabiliteit en onzekerheid.

Om dit op te vangen structureren mensen hun leven en hun omgeving via collectieve activiteit: via cultuur, structuur en met name via sociale instituties

Arnold Gehlen: sociale instituties als tweede natuur

Ze bieden stabiliteit die de menselijke biologie niet kan bieden

Desinstitutionalisering

Dwingende macht van instituties neemt af

Sociale instituties en institutionalisering: Anton Zijderveld

Brede definitie van sociale institutie

  • Instituties zijn patronen van handelen, denken en voelen die collectief worden gedeeld en worden overgedragen via nadoen en opvoeding
  • Duidelijke culturele dimensie bv: opvattingen over geslachten (gender) en bijbehorende rolpatronen

Nadruk op institutionalisering

Gewoontevorming van handelingspatronen

  • Door herhaling van denk- en handelingswijzen en hun overlevering van generatie op generatie, ontstaan collectief gedeelde patronen die inwerken op handelende individuen,

Overeenkomst Gehlen en Zijderveld desinstitutionalisering:

Een historische ontwikkeling waarbij instituties in de moderniteit minder dwingend zijn geworden

Specifieke invulling en concrete omschrijving sociale institutie:

  • Is een samenstelling van rollen en posities (structuur)
  • Richt het handelen via betekenis en waarden (cultuur)
  • Levert handelingspatronen
  • Wordt herkend en erkend door meerdere mensen (collectief gedeeld)
  • bv: het gezin

Specifieke invulling: combinatie van cultuur en structuur

Sociale institutie omvat rollen en posities en richt het handelen via betekenissen, waarin en normen.

Combinatie wordt door verschillende mensen erkend, waardoor een institutie een collectief karakter heeft.

Instellingen

Zijn (formele) organisaties met instituties aan hun basis

Probleem van instellingen

Instituties en instellingen soms door elkaar gebruikt, maar is niet hetzelfde.

Bv. Recht (institutie) en rechtbank (instelling)

Contingentie

onbepaaldheid

Twee manieren om contingentie te verkleinen

  • Sociale routine
  • Voorgevormde gedragspatronen of sociale rollen

Sociale rol

Omvat een gedragspatroon en verwachtingen verbonden met een sociale positie.

Sociale positie

Is de plaats die iemand aanneemt tegenover andere

Role set of rolbundel

Verschillende rollen die iemand combineert

Twee soorten rolproblemen

Rolconflict en rolspanning

Rolconflict

Rollen botsen die eenzelfde persoon vervult, verschillende functies komen samen

Rolspanning

Ten aanzien van eenzelfde rol zijn er verschillende verwachtingen

vb: politie is streng maar moet ook meegaand zijn , dit kan voor spanning zorgen binnen 1 rol

Waarom aandacht voor rollen binnen sociale structuren

Focus op rol bij een positie in plaats van op persoon op die positie. Aandacht voor rollen en posities biedt een bijkomend inzicht in sociale fenomenen

Roldifferentiatie

Er lijken steeds meer rollen bij te komen met verschillende handelingspatronen en specialisaties.

Daarnaast ook buiten mensen om namelijk differentiatie van systemen

Groep

Verschillende manieren om mensen bij elkaar komen in het sociale leven.

Indeling van groep door sociologen

  1. Aggregaat
  2. Sociale categorie
  3. Sociale groep

Aggregaat

Mensen die zich in dezelfde tijd en ruimte bevinden, zonder dat er interactie is. Vb. museum of bioscoop

Sociale categorie

Mensen hebben gedeeld kenmerk, dit kenmerk wordt toegeschreven door andere (indeling door andere)

Vb: studenten conservatie is 1 groep

Sociale groep

interactie tussen leden en gedeeld doel of belang

Vb: jeugdvereniging, studentenclub, vakbond

Kenmerken van een groep

  • Gemeenschappelijk doel en belang
  • Regelmatig interactie
  • Gedragsverwachtingen ten aanzien van leden (rechten en plichten) Wel of geen lid heeft invloed op de gedragsverwachtingen.
  • Gedeelde indentiteit of groepsgevoel

Onderscheid in type groepen

  • Primaire groepen
  • Secundaire groepen

Primaire groepen

  • klein en blijven
  • persoonlijk, emotioneel betrokken leden
  • omvattende groepsrelaties (als je erbij hoort hoor je er volledig bij)
  • Relaties zijn minder geregeld (niet perse formeel beschreven)

Vb: Gezin, vriendengroep, hechte vriendengroep

Secundaire groepen

  • ledenwisseling en variërende grootte
  • Formeel en instrumenteel
  • Weinig persoonlijk
  • Segmentatie en specialisatie
  • Ledenwisseling
  • Groepen veel groter

Vb: scholen of ondernemingen

Door wie werd get onderscheid tussen primair en secundair oorspronkelijk gemaakt?

Charles H. Cooley

Socialisatie

vorming van een individu.

Het us het vormingsproces waarbij een persoon gewoonten, opvattingen en handelingspatronen van een groep of gemeenschap aanleert

Sociologisch inzicht

Niet eerst individuen en dan interacties, maar vorming individu door interacties incl. identiteit en zelf

Primaire socialisatie

Tijdens kindertijd, in daartoe ingerichte instituties (school, gezin, kerk)

-> Ook volwassen: (gevangenis) hervormen

Secundaire socialisatie

Bij volwassen in andere situaties (werk, vereniging)

Verschillende socialiserende instituties

Gezin, vriendengroep, school, media, werk

Interactie

Samen handelen

Vb: communicatie is een vorm van samen handelen

Sociale interactie

Voortdurende wisselwerking tussen personen die hun handelen interpreterend op elkaar anticiperen en reageren

Erving Goffman: korte beschrijving van interactie

Beschrijven hoe mensen zich gedragen in de publieke sfeer

Dramaturgische benadering

Analyse van het sociale leven en interacties via metaforen van theater

Impression management

Verwijst naar pogingen om indrukken die men op anderen achterlaat te controleren

Verschillende manieren impression management

  • Verbale uitdrukkingen
  • Non-verbale communicatie (houding, gebaren, lichaamstaal)
  • Dramatisering
  • Attributen en ruimtes (uniformen of betekenisvolle voorwerpen)


Wie introduceert front stage en backstage

Goffmann: Deelt het sociale leven e de interacties daarin op in frontstage en backstage (voor en achterplan)

Front stage

Waar mensen impression management strikt beheersen en toneel spelen. Ze gedragen zicht volgens de regels die hun rol voorschrijft.

Rol t.a.v. bepaald publiek

Backstage

Hier laten mensen die controle los en bereiden ze zich voor op nieuwe opvoering. De plekken van het sociale leven zijn vaak meet verborgen.

-> (Deel van) rol spelen

Relatieve begrippen

steeds in verhouding tot elkaar

Vb: Slaapkamer - gezinswoning - publieke leven

essentie is te laten zien dat mensen wisselen tussen deze rollen

Civil innatention

Beeldende inattentie. Expliciet vermijden van contact, maar tegelijk ook de aanwezigheid van de ander impliciet bevestigen

Vb: wachtkamer of lift

Driehoek identiteit

  • 'zelf' individu
  • structuur
  • cultuur


Zelfbewustzijn

Kind ontwikkelt zijn eigen ik, hiervoor zijn interacties met anderen doorheen het socialisatieproces van belang

Het verwerven vanzelf brengt de ontwikkeling van een zelfbeeld met zich mee

Generalized other

We komen in aanraking met anderen in talk van rollen die ons waarden en normen opleggen

William James (Bekend door)

Invloed filosofie van pragmatisme

Pragmatisme

Focus op consequenties van handelingen en activiteiten.

De wereld en ed mensen erin, worden vormgegeven door de activiteiten die mensen ondernemen: ze zijn resultaat van een handelingsproces

C.K, Cooley en the looking glass self (kern)

Zelf van buitenaf bekijken is typisch menselijk

Cooley's looking glass zelf verloopt in 3 stappen:

  1. Voorstelling (hoe anderen ins zien: vrienden, familie, collega's)
  2. Inbeelden van beoordeling (anderen: wat aderen van ons zouden denken, welk indruk laten we na)
  3. reactie en aanpassing ( Van gedrag en zelfbeeld op basis van deze inschattingen)

Identiteit

Gericht aan onszelf en aan andere, waar we zelf en andere en antwoord op geven. Wie ben ik?

Nathalie Heinich

  • Franse kunstsociologe
  • Studenten van Pierre Bourdieu
  • Benadrukt het belang van: proces, narratieve dimensie en contextueel

Identiteit is een proces (Nathalie Heinich )

Een dynamiek die voortdurend in verandering is

identiteit kent een narratieve dimensie (Nathalie Heinich)

Het verschijnt als verhaal waar betekenis aan wordt gekoppeld

Identiteit is contextueel (Nathalie Heinich)

Afhankelijk van de situatie. Welk aspect van iemands identiteit belangrijk is, verschilt van de context waarin iemands identiteit wordt gevraagd. (Vb: als je op vakantie bent - waar kom je vandaan?)

Identiteit omvat zowel

  • Gelijkenis met anderen
  • Verschil tegenover nog anderen

Tweedelig model van identiteit: Objectieve identiteit

Labels buiten individu

Vb: Burgerlijke staat, beschrijving van anderen


Tweedelig model van identiteit: Subjectieve identiteit

Beleving door andere

Vb: Hoe individu zelfzeef ziet of voelt

Probleem (Heinich): Simplistisch

Onderscheid tussen vals en authentiek tussen gespeeld (in maatschappij) en echt (individu zelf)

Drie momenten van indentiteit (Heinich)

  1. Zelfperceptie: zich voelen, door jezelf
  2. Presentatie: Zich noemen voor andere
  3. Toeschrijven: Genoemd worden, door anderen

Nieuwe driehoek (sociologisch denkkader net drie kenconcepten)

  • toeschrijven
  • zelfperceptie
  • Presentatie

Sociale ongelijkheid

Verschillen in toegang tot belangrijke middelen en posities in een samenleving

Sociale stratificatie

Gelaagdheid, in de sociologie: verwijst het naar Geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid

Geïnstitutionaliseerd

Wil zeggen dat er (impliciete als expliciete) regels bestaan rond de verdeling van gegeerde middelen en posities

Ongelijkheid om verschillende vlakken

  • Economische welvaart
  • Politieke macht
  • Ras en etniciteit
  • Geslacht

Landbouwsamenlevingen

Toegang tot grond was de voornaamste basis voor sociale ongelijkheid

Industriële samenleving

Gekenmerkt door een andere stratificatie: Klassen

Slavernij

Extreme vorm van ongelijkheid: sommige individuen zijn letterlijk eigendom van een ander

Kasten

Indeling van de samenleving van verschillende lagen

Quasikaste

Raciale segregate (rassenscheiding) in de vS en apartheid in Zuid-Afrika

Standen

Standen in federaal systeem (middeleeuws europa) maar ook in andere culturen. Status gebaseerd op: landbezit en politiek- militaire posities

Drie grote standen

  1. Adel (leenheren) en aristocratie
  2. Clerus, kerkelijke stand
  3. Horigen, gewone volk: Handelaars, vrije boeren en ambachtslui

Horigen

Boeren behoren bij de grond waarop ze leefden, en verplichtingen hadden ten opzichte van hun heren: de adel en grootgrondbezitters

Sociale mobiliteit

De mate waarin iemand de sociale ladder kan opklimmen. Van traditie naar wettelijke onderbouwing

Klassen

een verzameling van personen die beschikken over dezelfde economische middelen

Klasse

Bevat personen die beschikken over gelijkaardige economische middelen( met andere woorden: eenzelfde economische positie innemen) en daardoor grote gelijkenissen vertonen in levenswijze, belangen en opvattingen

Belangrijke verschillen klassen

  • Vage grenzen tussen klassen
  • Voornamelijke economische verschillen
  • Niet (rechtstreek) wettelijk of religies onderbouwd
  • Niet strikt erfelijk, maar deels verworven

Marx

Klasse als verhouding tegenover productiemiddelen

Max Weber met uitbereiding Marx

Klassen zijn verzamelingen personen met dezelfde levenskansen omwille van positie in de markt waarin ze goederen, kapitaal of vaardigheden aanbieden.

  • Meer dan twee klassen
  • Meer dan bezit

Hoe worden klassen opgedeeld

Economische grondslag: vermogen, inkomen, beroep. Toegang tot economische middelen bepaald tot welke klasse iemand behoord

  • Hogere klassen: grote vermogens
  • Middenklasse: Meest onduidelijke afgelijnde klassen (mensen achter bureau)
  • Lagere klassen: Lage en stabiele inkomens

Cultureel kapitaal

Gaat om geaccumuleerde kennis, vaardigheden en opleiding.

Kinderen uit hogere klassen beschikken over meer cultureel kapitaal.

Wordt generatie op generatie doorgegeven

Onderscheid 3 vormen van culturele kapitaal

  1. Belichaamde cultureel kapitaal: verworven vaardigheden geletterdheid, culturele kennis etc.
  2. Geobjectiveerd cultureel kapitaal: Materiële dragers, als document, kunstwerken, instrumenten.
  3. Geïnstitutionaliseerd cultureel kapitaal: Objectivering in titels en diploma's.

Sociaal kapitaal

Het geheel aan sociale relaties die kunnen worden ingezet als hulpbronnen

Habitus

Is het sociaal geconstrueerde geheel van disposities en verschaft competenties om in een omgeving te bewegen

Disposities

Onbewuste neigingen om dingen op een bepaalde manier te doen

Habitus: met dit begrip zet Bourdieu zich af tegen twee andere opvattingen

  1. Dat menselijk handelen gebaseerd is op rationele keuzes waarbij de mens los staat van zijn omgeving
  2. Menselijke handelen wordt gedetermineerd door omgeving en de mens dus geen eigen inbreng heeft

Modernisering

Verwijst naar een geheel van maatschappelijke ontwikkelingen die zich de afgelopen eeuwen voltrokken ( en nog steeds gaande zijn)


Processen van modernisering

Verzameling onderling verbonden historische ontwikkelingen

Rationalisering

Het ordenen en systematiseren van de wereld (werkelijkheid) om die voorspelbaar en beheersbaar te maken

Verschillende vormen van rationalisering

  • Berekening (vb. economie)
  • Systematisering (vb, recht, bureaucratie)
  • Standaardisering (vb. eenheidsmaten)

Domesticatie

Is de beheersing van zowel 'uitwendige' als inwendige natuur

Uitwendige natuur

De fysieke werkelijkheid die ons omgeeft als de biologische levende natuur

Inwendige natuur

(menselijke geest) ook de innerlijke gemoedstoestand van de mens is in sterke mate gedomesticeerd -> de toegenomen beheersing van eigen driften en emoties

Panopticon

Als metafoor: zelfdiscipline als modern mechanisme van macht-uitoefening

Individualisering

Verwijst naar historisch proces waarbij individu loskomst van collectiviteit en grote zelfstandigheid en onafhankelijkheid kent

Individualisering als opdracht

Narratief voor individuele verantwoordelijkheid, individu als aansprakelijk voor eigen lot

Maatschappelijke differentiatie

Belangrijk deelproces van modernisering. Het is belangrijk om de hedendaagse maatschappij te kunnen begrijpen, maar vormt tegelijk vrij geavanceerde sociologische materie

Differentiatie

Verwijst naar de opsplitsing van een geheel in delen due onderling van elkaar verschillen

Differentiatie toegepast op de samenleving in twee vormen

  1. Verticale differentiatie
  2. Horizontale differentiatie

Verticale differentiatie

Verwijzen sociologen naar sociale stratificatie de opdeling van de samenleving volgens status en macht -> neemt in onze samenleving vorm aan van klassen.

Horizontale differentiatie

De op0deling van de samenleving in verschillende domeinen, systemen of sferen die naast elkaar bestaan. Ook wel maatschappelijke differentiatie

Uitdifferentiatie

Draagt bij tot de maatschappelijke complexiteit: zelfstandigheid van domeinen en afhankelijkheid